Historisch kassencomplex te Beetsterzwaag
 
 
 
 
 
 

UITERLIJKE KENMERKEN

Uiterlijke kenmerken
Bijen hebben net als alle insecten een in drieŽn verdeeld lichaam, een kop (2) of caput, een borststuk (3) of thorax en een achterlijf (5) of abdomen. Hierbij is elk deel weer onderverdeeld in segmenten waarvan sommige lichaamsuitsteeksels dragen. De kop heeft aan de bovenzijde twee antennes (1) die dienen als tastorgaan. Het borststuk bestaat uit drie segmenten die met elkaar vergroeid zijn maar de drie delen zijn te herkennen aan de positie van de poten (6) en vleugels (4). Het achterlijf (5) is het grootst en draagt alleen aan de achterzijde aanhangsels, deze vormen de angel van de vrouwtjes. Zie de foto met de nummers links in de zijlijn.

De honingbij heeft een duidelijke lichaamsbeharing, vooral het borststuk en de bovenzijde van de kop zijn voorzien van een dichte en lange beharing. Ook op de rest van de kop en op het achterlijf zijn vele haartjes aanwezig. De lichaamsbeharing dient om warmte vast te houden en speelt een rol in het kunnen overleven van strenge winters.

Kop
De kop van de honingbij is duidelijk afgesnoerd van het borststuk en is eenvoudig te herkennen aan de ogen en de antennes. De honingbij heeft twee antennes die altijd bestaan uit een korte basis en een lang uiteinde. Beide delen bestaan uit verschillende segmenten en zijn gescheiden door een duidelijk gewricht.

De honingbij heeft twee grote ogen aan weerszijden van de kop die bestaan uit vele kleine suboogjes, het geheel wordt het samengesteld oog of facetoog genoemd. De ogen kunnen gepolariseerd licht waarnemen. Dit wordt uitgestraald door de zon en ook als het bewolkt is kan een bij dit licht zien. Het wordt gebruikt om het nest terug te vinden na het zoeken van voedsel. De ogen zijn aangepast aan een ander lichtspectrum dan bijvoorbeeld de ogen van de mens. Een bij kan kleuren zien maar ziet andere kleuren dan het menselijk oog. De kleur rood bijvoorbeeld valt buiten het waarnemingsvermogen, maar ultraviolet licht kan wel worden gezien. Dit speelt een rol in het zoeken naar honing, veel planten hebben een zogenaamd honingmerk op de bloemen die ultraviolette kleuren bestaan.

Borststuk
Het borststuk of thorax van de bij is net als andere insecten verdeeld in drie delen die van voor naar achter het prothorax (pro = voor), het mesothorax (meso = midden) en het metathorax (meta = achter) worden genoemd. Ieder segment draagt ťťn paar poten aan de onderzijde en zowel het mesothorax- als het metathoraxdeel draagt ieder ťťn paar vleugels aan de bovenzijde. De honingbij heeft in totaal dus vier vleugels

Vleugels
De vleugels zijn vliesachtig en transparant, de vleugels van insecten zijn ontstaan uit poot-achtige structuren die zich hebben omgevormd tot verharde maar zeer dunne vliezen. De onderrand van de voorvleugel is voorzien van een rij groefjes, en de bovenrand van de achtervleugel is voorzien van een rij gekromde haartjes. Als een honingbij op een bloem zit worden de vleugels over elkaar gevouwen en maken de groefjes en haartjes geen contact. Maar tijdens het vliegen haken de haartjes in de groeven zodat ieder vleugelpaar functioneert als een enkele vleugel wat de efficiŽntie van het vliegen aanmerkelijk verhoogd.

Poten
De honingbij heeft drie paar poten. Het voorste paar poten heeft een complexe bouw, de poot vervult een functie als poetsorgaan voor de antennes en de ogen. De ogen en de antennes van de honingbij zijn erg gevoelig maar als ze vervuild raken door stofdeeltjes boet de efficiŽntie in. Aangezien de honingbij vaak in omgevingen komt waarin zich veel stuifmeel bevindt, raken ze ook snel vervuild.

Het middelste potenpaar is vergelijkbaar met de poten van andere insecten en draagt geen gespecialiseerde structuren. De poot speelt wel een rol bij het in het korfje krijgen van het stuifmeel; met de haartjes op de middenpoot kan de bij het stuifmeel als het ware in het korfje kammen.

De achterpoten zijn het best ontwikkeld; dit potenpaar heeft een aantal structuren die de honingbij in staat stelt om grote hoeveelheden stuifmeel te verzamelen en te vervoeren. Het stuifmeel wordt samengebracht in het stuifmeelkorfje. De bij veegt op een bloem het stuifmeel in de omgeving bij elkaar en stopt het in het korfje Om het geheel wat plakkeriger te maken wordt honing uit de honingmaag opgegeven en aan de stuifmeelkorrels toegevoegd. Terwijl de bij naar een volgende bloem vliegt worden de achterpoten druk bewogen waarbij het stuifmeel door de borstel in het stuifmeelkorfje wordt gedrukt. Af en toe wordt het wat aangestampt om te zorgen dat het stuifmeel in het korfje blijft zitten.

Achterlijf
Het achterlijf van de honingbij is duidelijk te onderscheiden van het borststuk door een sterke insnoering. Deze zogenaamde wespentaille komt bij alle vliesvleugelige insecten voor, zoals wespen en mieren. Doordat het borststuk en het achterlijf niet tegen elkaar aan liggen - zoals bij andere insecten als kevers het geval is - krijgt het lichaam van de bij veel meer bewegingsvrijheid. Deze insnoering van het lichaam wordt gevormd door de eerste delen van het achterlijf.


terug