Historisch kassencomplex te Beetsterzwaag
 
 
 
 

NAAMGEVING EN VERSPREIDINGSGEBIED

DE HONINGBIJ

Naamgeving
De honingbij wordt ook wel Europese (zwarte) (honing)bij, huisbij of westelijke honingbij genoemd. De naam 'bij' is afgeleid van het Middelnederlandse woord bie, de herkomst hiervan is onzeker. Het woord bie werd zover bekend voor het eerst gebruikt in 1240.

Een zwerm bijen wordt 'imme' genoemd, hetgeen tot 'imker' geleid heeft. De Nederlandstalige naam honingbij slaat op het vermogen om nectar te verzamelen en dit met behulp van enzymen om te zetten naar honing zodat het langer houdbaar blijft. Er zijn vele soorten bijen die honing verzamelen maar de honingbij is hiervan verreweg de bekendste soort.

De wetenschappelijke naam Apis mellifera betekent letterlijk bij (apis) die honing draagt (melli-fera).
De honingbij behoort tot de familie van de bijen (Apidae), deze familie van vliesvleugelige insecten wordt vertegenwoordigd door ongeveer 20.000 soorten. Ongeveer 500 soorten vormen kolonies bestaande uit een koningin en werksters, en eenmaal per jaar mannetjes. De bekendste soorten bijen zijn de Europese honingbij en de Aziatische honingbij.

Bijen zijn ontstaan uit een groep van wespen. Bijen zijn in feite sociale wespen die een sterkere beharing hebben zodat ze in koelere streken kunnen overleven. Hommels hebben een nog sterkere beharing en zijn hierdoor in staat zich noordelijker te vestigen dan bijen. Hommels zijn taxonomisch gezien sterk behaarde bijen, ze worden net als de bijen tot de familie Apidae gerekend.

In Europa bestaan twee genetisch verschillende populaties honingbijen. Uit het DNA blijkt dat die beide meer verwant zijn aan de Afrikaanse soorten dan aan elkaar.

Verspreidingsgebied
Oorspronkelijk komt de honingbij uit Afrika. Op de kaart links is de verspreiding van de verschillende ondersoorten in Europa weergegeven. De grenzen van de verschillende gebieden zijn niet altijd duidelijk en van sommige ondersoorten is de landgrens aangegeven.

De bij is echter over de gehele wereld verspreid en komt op alle continenten voor behalve Antarctica. De honingbij komt overal voor waar bloeiende planten groeien die afhankelijk zijn van de bestuiving door dieren. Dit is zelfs om te draaien; van bestuiving afhankelijke planten kunnen niet overleven in streken waar geen insecten zoals bijen kunnen leven. De honingbij komt voor in vrijwel alle mogelijke leefomgevingen, alleen op plaatsen waar het te koud is of juist te warm komt de soort niet voor. De enige uitzondering vormen dichtbegroeide bossen, hier zijn te weinig bloeiende planten voor de honingbij.

Voorbeelden van te koude plaatsen zijn gebieden in de buurt van de polen, zoals het uiterst zuidelijke puntje van Zuid-Amerika en noordelijke delen van Europa en Noord-Amerika. Ook in uitgesproken hooggebergten komen geen honingbijen voor. Ook in te hete streken ontbreekt de honingbij, zoals grote delen van noordelijk Afrika, in de omgeving van de Sahara.


terug